Activiteiten


Kalender

Upcoming | Archive: 2015 2014

Zitting bij de Rechtbank Rotterdam 23 november 2017
Met een groepje studenten hebben wij een erg interessante zitting bijgewoond. Voor de geïnteresseerde lezer hebben wij het rechterlijk oordeel bijgevoegd:

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd en een dwangsom ingevorderd wegens overtreding van artikel 3.13, eerste lid, en artikel 10.9, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (Tw).

2. Op grond van artikel 3.13, eerste lid, van de Tw is voor het gebruik van andere frequentieruimte dan die welke in het frequentieplan is aangewezen als frequentieruimte waarvan het gebruik zonder vergunning is toegestaan, een vergunning vereist van Onze Minister.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op een op 16 maart 2016 opgemaakt rapport van bevindingen. In dit rapport verklaart de toezichthouder dat hij op 11 maart 2016, omstreeks 7:55 uur, vanuit zijn dienstauto op een frequentie van 95.9 megahertz in de FM-omroepband een kennelijk illegale radiozender beluisterde. Via deze zender werd muziek en soms spraak uitgezonden. Aan de stem te oordelen werd de uitzending verzorgd door een man, die de zender aankondigde met de naam “Radio [radiozender] ”. De toezichthouder hoorde dat de man zei dat luisteraars een reactie konden geven op het mobiele telefoonnummer “ [telefoonnummer] ”. De toezichthouder zag, via een daartoe geschikte decoder, dat via deze zender tevens een zogenaamd ‘Radio Data Signaal’ (RDS) werd verzonden. Op de display verscheen de volgende tekst: “HALLO DIT IS RADIO [radiozender] LIVE EN ILLEGAAL VANUIT [plaats] VOOR REACTIE [telefoonnummer] LUISTER MAAR MEE” en “RADIO [radiozender] [telefoonnummer] HOEREN NEUKEN NO”. Omstreeks 8:15 uur die dag wezen radiopeilingen, relatieve veldsterktemetingen en een ter plaatse ingesteld onderzoek uit dat de door de betreffende zender uitgezonden radiocommunicatiesignalen werden uitgestraald vanaf een antenne-installatie die stond opgesteld achter de woning op het perceel [adres] te [plaats] , gemeente [naam] , waarvan eiseres eigenaresse is. De toezichthouder constateerde dat ongeacht de richting waarin hij reed, de peilapparatuur steeds in de richting van de antenne-installatie op het perceel wees. Ook werd geconstateerd dat het relatieve veldsterkteniveau van het ontvangen radiocommunicatiesignaal ter hoogte van de antenne-installatie op het perceel van eiseres het hoogst was. Tevens zag de toezichthouder een antenne-installatie met een geschatte hoogte van acht á tien meter. Doordat er geen duidelijk zicht was op de wijze van verankering van de antenne-installatie kon niet worden vastgesteld of er sprake was van een opstelling met een vast-, tijdelijk-, of mobiel karakter. De toezichthouder zag dat er in de directe omgeving van het perceel geen andere antenne-installatie stond opgesteld, waarvandaan mogelijk de betreffende radiocommunicatie-signalen konden worden uitgestraald. Met de in de dienstauto aanwezige navigatieapparatuur en het geografisch informatie programma, Google Earth, stelde de toezichthouder vast dat de afstand tussen de locatie waar de illegale radio-uitzending ongestoord werd ontvangen en het perceel, hemelsbreed zeven kilometer bedroeg. De toezichthouder heeft vastgesteld dat eiseres geen frequentievergunning heeft.

4. Eiseres voert aan dat vanaf haar perceel geen radio-uitzending heeft plaatsgevonden. Verweerder neemt bij gebrek aan goed onderzoek aan dat de kennelijk gemeten radiosignalen afkomstig zijn van het perceel van eiseres, terwijl deze radiosignalen een andere bron moeten hebben. Tevens stelt eiseres dat zij geen radiozendapparatuur geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig had. De aanwezige drie-elements-antenne komt in Nederland veel voor en is naar zijn aard slechts bedoeld om radiosignalen (beter) te ontvangen, en niet om te zenden. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt, omdat tegen andere houders van soortgelijke eenvoudige antennes niet wordt opgetreden. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder in het bestreden besluit enkel verwijst naar het rapport van bevindingen, zonder daarbij in te gaan op de concrete opmerkingen van eiseres. Tevens laat verweerder het na om aan te tonen dat de omschreven werkwijze ook ten aanzien van eiseres is gevolgd en dat daaruit onomstotelijk is gebleken dat zij het was die een radio-uitzending verzorgde. Eiseres stelt dat de meting onvoldoende (locatie)specifiek is, en dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van andere antennes. Eiseres wijst in dit verband op de bij het rapport van bevindingen behorende locatieschets. Eiseres meent dat er ter hoogte van de andere percelen meer bollen bij elkaar staan, wat aanleiding geeft te veronderstellen dat er vanaf een ander perceel dan dat van eiseres is uitgezonden. Eiseres meent dat verweerder uitgaat van een onjuiste verdeling van de bewijslast. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat de overtreding door de overtreder is begaan, en niet aan eiseres om te bewijzen dat zij op de genoemde dag en tijd geen radiosignalen heeft uitgezonden. Tot slot voert eiseres aan dat de namen en telefoonnummers op de display niet tot eiseres zijn te herleiden.

5. Verweerder betoogt in het verweerschrift, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2246) dat het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard. De reden daarvoor is dat eiseres in haar beroepschrift heeft aangegeven dat de gronden van bezwaar als beroepsgronden aangemerkt kunnen worden en de door eiseres aangevoerde beroepsgronden inhoudelijk identiek zijn aan de gronden die in het bezwaarschrift zijn genoemd. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1795) dat eiseres niet alleen heeft verwezen naar de bezwaren die zij tegen het primaire besluit heeft ingebracht, zodat er geen grond is eiseres beroep alleen daarom al ongegrond te verklaren.

6. De bewijslast voor de overtreding ligt gelet op het punitieve karakter van de sanctie bij verweerder. De rechtbank leest in het rapport van de toezichthouder van verweerder dat hij tijdens zijn onderzoek op 11 maart 2016 door combinatie van visuele en technische waarnemingen heeft vastgesteld dat het radiosignaal met behulp van de antenne-installatie gemonteerd aan de woning van eiseres werd uitgezonden. Ter zitting heeft een van de meegekomen toezichthouders van verweerder de wijze van peilen en meten nader toegelicht, en aangegeven dat de toezichthouders er altijd alert op zijn of er een andere mast in de buurt staat van waaruit een opgepakt signaal mogelijk kan zijn verzonden. In het geval van eiseres is dit ook zo gebeurd en heeft de toezichthouder geconstateerd dat in de directe omgeving van het perceel van eiseres geen andere antenne-installatie stond opgesteld. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om te twijfel aan de juistheid van de inhoud van het rapport en de conclusie die daaruit is getrokken, namelijk dat op 11 maart 2016 vanaf het perceel van eiseres een uitzending in de FM-omroepband is verzorgd. Het betoog dat de toezichthouder onvoldoende heeft uitgesloten dat de illegale uitzending vanaf een andere antenne-installatie is uitgezonden, volgt de rechtbank niet, nu eiseres dit betoog niet met objectieve en verifieerbare stukken heeft onderbouwd. De ter zitting meegekomen toezichthouder van verweerder heeft toegelicht dat de ‘bollen’ op de locatieschets de aanrijroute van de toezichthouder weergeven, en aangegeven dat er meer ‘bollen’ worden weergeven naarmate er wordt ingezoomd op de kaart. De rechtbank is van oordeel dat een andere lezing van de locatieschets berust op een misverstand.

7. De rechtbank is van oordeel dat het rapport, dat is gebaseerd op radiopeilingen, relatieve veldsterktemetingen en visuele waarnemingen, toereikend is om met voldoende zekerheid vast te stellen dat het gepeilde radiocommunicatiesignaal, zoals omschreven in het rapport, afkomstig is van de antennemast van het perceel van eiseres. Niet noodzakelijk is, zoals eiseres ter zitting heeft betoogd, dat er sprake is van bijkomende omstandigheden.

8. Eiseres heeft de stelling dat verweerder niet handhavend optreed tegen andere houders van soortgelijke antennes niet nader onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kan alleen daarom al het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

9. Eiseres voert aan dat niet onomstotelijk is gebleken dat zij degene is die de radio-uitzending verzorgde. De rechtbank overweegt dat eiseres in deze procedure als functioneel dader is aangemerkt. Niet van belang is wie feitelijk de radio-uitzending heeft verzorgd, maar wel dat de overtreding heeft plaatsgevonden vanaf het perceel van eiseres. Eiseres had het als eigenaresse van het perceel in haar macht om het begaan van de overtreding te voorkomen. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat eiseres op de hoogte was van het feit dat er in het verleden vanaf de mast op haar perceel illegale radio-uitzendingen waren verzorgd, en dat zij wist dat er een antennemast met een drie-elements verticaal gepolariseerde antenne was gemonteerd ten tijde van de uitzending op 11 maart 2016. Daarbij had eiseres het als eigenaresse van het perceel in haar macht de antenne-installatie van haar perceel te verwijderen. Dat de teksten op de display niet tot eiseres te herleiden zijn, maken niet dat zij niet als functioneel dader kan worden aangemerkt.

10. De rechtbank concludeert dat verweerder eiseres terecht en op goede gronden als overtreder van artikel 10.9, eerste lid, van de Tw heeft aangemerkt. Gelet hierop kon verweerder haar een bestuurlijke boete opleggen. De opgelegde boete acht de rechtbank passend en geboden.

11. Met de op 11 maart 2016 begane overtreding, heeft eiseres niet aan de last onder dwangsom van 28 oktober 2014 voldaan. Op 11 maart 2016 is dus van rechtswege een dwangsom verbeurd. Gelet hierop was verweerder op grond van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd deze dwangsom in te vorderen. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval niet gebleken.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017.